Van Vaccins & witte jassen

De eeuwige strijd tegen de ziekte

Pas in de 18de eeuw kwam de mens erachter wat de echte oorzaak is van tal van besmettelijke ziekten. Voordien waren er wel veronderstellingen en theorieën, maar daarmee kregen de artsen nog geen greep op de bacteriën en virussen. Hoe hebben de mensen zich door de eeuwen heen beschermd tegen die onzichtbare vijanden? Hoe braken zij uiteindelijk toch de macht van die zogenoemde ‘dienaren van de dood’?

Duizenden jaren lang waren de mensen ervan overtuigd dat ziekten en epidemieën straffen waren van de goden. En om de woede van een opperwezen te bedaren kun je alleen maar bidden, offeren en bezweren… De mensen probeerden dus ‘de pijlen Gods’ met magische middelen af te weren. Dat veranderde toen de eerste grote beschavingen ontstonden. Duizend jaar vóór onze jaartelling bleken Chinese, Indische en Egyptische artsen al in staat complexe heelkundige ingrepen uit te voeren. En ziekten bestreden zij met geneeskrachtige preparaten die onder het prevelen van bezweringsformules werden toegediend. Arts en priester, magie en geneeskunst, veel onderscheid werd toen zeker nog niet gemaakt.

Miasma of contagium?

Traditioneel wordt aangenomen dat de Griek Hypocrates aan de wieg staat van de wetenschappelijke geneeskunde. Hij koppelde zijn wetenschap los van religie en magie en vertrouwde enkel nog op observatie en rede. Zo werd de geneeskunde een tak van de filosofie. En zoals het wel vaker gaat onder filosofen, raakten Hypocrates en zijn volgelingen het niet eens over de ‘kern van de zaak’, namelijk de oorsprong van de ziekten. Enerzijds waren er artsen-filosofen die geloofden dat alle kwalen werden veroorzaakt door ongunstige omgevingsfactoren zoals een slecht klimaat of giftig water. Anderzijds waren er artsen die volhielden dat ziekten het gevolg zijn van aanrakingen. Het Oudgriekse woord voor de bezoedeling van de leefomgeving is ‘miasma’ en het Latijnse woord voor aanraking is ‘contagium’. De aanhangers van de miasmatheorie bleven bekvechten met de aanhangers van de contagiumtheorie en hun dispuut loopt als een rode draad door de geschiedenis van de moderne geneeskunde.

In het Middeleeuwse Vlaanderen bijvoorbeeld was het de gewoonte dat lepralijders naar de dorpspastoor trokken. Als die inderdaad lepra vaststelde, werd de zieke uitgenodigd om snel even zijn eigen uitvaartplechtigheid bij te wonen. Aan het einde van de dienst werd hij symbolisch begraven en werd hij vriendelijk maar dringend verzocht de stad te verlaten. Welgestelde melaatsen konden in leprozerieën gaan wonen. Hun arme lotgenoten zwierven ratelend over veld en akker en werden dan ook ‘akkerzieken’ genoemd. Hier speelde duidelijk de contagiumgedachte.

Maar de Middeleeuwers geloofden ook in de miasmatheorie. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het woord ‘malaria’. Dat is Italiaans voor ‘slechte lucht’. In het havenstadje Ostia was het vaak vochtig en broeierig warm. De koorts die zoveel mensen er trof, werd meteen toegeschreven aan de verdorven lucht. In werkelijkheid waren het natuurlijk de muggen die de ziekte overdroegen. Ostia was voor hen een voortreffelijke biotoop. Ook in Vlaanderen en Nederland kwam op bepaalden plaatsen geregeld malaria voor en ook hier werd een verband gelegd tussen de aandoening en de leefomstandigheden. Dat blijkt uit de namen die aan de ziekte werden gegeven: moeraskoorts en polderkoorts.

Tot vandaag toe maken wij het onderscheid tussen miasma en contagium. Wij weten dat aandoeningen als griep, geelzucht en longontsteking via contacten met besmette personen worden overgedragen. Dat past in het beeld van de contagiumtheorie. Anderzijds geloven wij dat er een verband bestaat tussen leefomgeving en ziekten als astma, hooikoorts en bepaalde vormen van kanker. Hier speelt duidelijk de miasmagedachte.

Huiveringwekkende experimenten

In de Middeleeuwen en de Renaissance won de contagiumtheorie geleidelijk meer veld. Dat kwam natuurlijk door de talrijke pest- en pokkenepidemieën. De artsen wisten maar al te goed dat er tegen die ziekten geen kruid was gewassen en zodra ergens de ‘zwarte dood’ was gemeld, maakten de meesten zich snel uit de voeten. Slechts enkelen bleven achter en gehuld in lederen mantels en vreemde puntige maskers vol geurige kruiden probeerden ze hier en daar de nood te lenigen. Ze beseften dat iedere directe aanraking met de ziekte fataal kon zijn.

Intussen probeerden ander wetenschappers de mechanismen van de besmetting te doorgronden en doeltreffende geneesmiddelen te ontwikkelen. Daarbij lieten zij zich inspireren door de primitieve inentingsmethoden van Chinezen, Indiërs en Turken. In China werden bijvoorbeeld verpulverde schilfers van pokkenblaasjes in de neus van gezonde mensen geblazen. Die schilfers kwamen dan wel van pokkenlijders die een goedaardige vorm van de ziekte hadden overleefd. In Indië en Turkije brachten geneesheren een schram aan op de arm van gezonde mensen om er vervolgens pus uit goedaardige pokkenblaasjes op aan te brengen. In een klein aantal gevallen maakten die ‘inentingen’ de mensen dodelijk ziek. Maar wie de ingreep overleefde, was immuun voor pokken.

De moderne vaccinatie hebben we te danken aan de Engelse arts Edward Jenner (1749 – 1823). Hij hoorde vertellen dat vrouwen die koeien melkten al eens werden besmet met een soort pokken dat op de uiers van de dieren voorkwam. Wie deze koepokken eenmaal had gehad, was voor de rest van haar leven immuun voor de echte pokken. Na veel studie en nog meer twijfel waagde Jenner een huiveringwekkend experiment. In 1796 entte hij een kleine jongen in met het pus van een melkmeisje dat besmet was geraakt met koepokken. Enkele weken later volgde een gewaagde test: hij besmette de jongen met de pokken… En er gebeurde helemaal niets. Na nog meer experimenten en veel negatieve reacties van collega’s publiceerde hij een boek: ‘Variolae Vaccinae’. Vaccinae is afgeleid van het Latijnse Vaca, wat koe betekent. Het was Louis Pasteur die de term ‘vaccineren’ introduceerde als eerbetoon aan Edward Jenner.

De pret à porter van de artsen

Na Jenner was het hek van de dam. Louis Pasteur (1822 – 1895) legde de principes van de pasteurisatie en de sterilisatie wetenschappelijk vast. En de kleine Duitse plattelandsdokter Robert Koch (1843 – 1910) identificeerde verschillende ziektekiemen als tuberculose en cholera. In de tweede helft van de 19de eeuw gaven één na één alle dodelijke ziekten hun geheimen prijs.

Maar al die artsen en onderzoekers werkten met gevaarlijk ziektekiemen en moesten dus ook zichzelf en hun patiënten afdoende kunnen beschermen. Hier leverde de Schotse arts Joseph Lister (1827-1912) baanbrekend werk. In de 19de eeuw zagen de ziekenhuizen er wel nog anders uit dan vandaag. In de operatiezalen droegen de chirurgen en hun assistenten dezelfde kleren als op straat. Op de vloer lag houtschaafsel dat tussen twee operaties door snel even werd ververst. Soms gebeurde het dat de chirurg doodleuk een scalpel uit zijn jaszak tevoorschijn haalde. Zo kon dat niet langer, vond Lister. Hij ontwikkelde de ontsmettende carbolzeep en eiste dat chirurgische instrumenten tussen twee ingrepen door niet alleen in een lauw loogje werden gewassen, maar ook degelijk werden gesteriliseerd. Dank zij Lister nam het aantal infecties in de ziekenhuizen zienderogen af. De Amerikaanse chirurg William Stewart Halsted (1852-1922) ging nog een stap verder: hij introduceerde de rubberen handschoenen.

In diezelfde periode begonnen de artsen ook witte kleding te dragen. Vóór ze de operatiekamer binnenliepen, kleedden de chirurgen en hun assistenten zich uit en trokken ze speciale steriele kleding aan. Maar omdat ze ook in het ziekenhuis witte kleding droegen, konden ze ook zonder zich om te kleden de operatiezaal inlopen. Of omgekeerd. Daarom dragen artsen vandaag witte jassen in het ziekenhuis en gekleurde kleren in de operatiekamer. Eerst groene en later ook blauwe en zelfs gele.

Het lijkt dus of het eeuwenoude dispuut is beslecht in het voordeel van de contagiumtheorie. Hoewel de oude miasmagedachte nog voortleeft in een groeiende ecologische bezorgdheid. Ook bij medici.